Nieuws over het integriteitsrecht

Max heeft zijn proefschrift geschreven over integriteitsnormen. Ook na die honderden pagina's blijft er over die normen nog voldoende te zeggen. Het integriteitsrecht is voortdurend in beweging. Op deze plek bespreekt Max de laatste ontwikkelingen. Houd deze pagina daarom in de gaten voor bijvoorbeeld nieuwtjes over de rechtspraak over deelname aan de besluitvorming door raadsleden en over de parlementaire behandeling van het de tweede tranche van de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur.

Financiële belangen en het strafrecht
 Update van 6 februari 2026

De Hoge Raad heeft op 27 januari 2026 arrest gewezen over artikel 376 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr). Dat gebeurt niet zo vaak en alleen al daarom is dit een bijzonder arrest. De laatste keer dat de Hoge Raad arrest wees over die bepaling was bijna zeventig jaar geleden. Niet voor niets heeft de regering deze bepaling eens nagenoeg obsoleet genoemd.

 

Wat staat er in artikel 376 van het WvSr?

Uit artikel 376 van het WvSr volgt dat een ambtenaar strafbaar handelt als hij opzettelijk deelneemt, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen of leveranties waarover hem op het tijdstip van de handeling geheel of ten dele het bestuur of toezicht is opgedragen.

Vrij vertaald: als (i) een overheid een contract sluit met een partij, (ii) de ambtenaar bij dat contract een financieel belang heeft en (iii) de ambtenaar over dat contract iets te zeggen heeft, dan moet de ambtenaar oppassen. Overigens wordt de term 'ambtenaar' in het WvSr ruim geïnterpreteerd. Daaronder vallen bijvoorbeeld ook ambtsdragers, zoals parlementariërs, ministers, raadsleden, wethouders en burgemeesters.

 

Wat is er aan de hand in de casus?

Een parlementariër op Sint Maarten is lid van de vaste parlementaire commissie die zich ontfermt over onder meer telecommunicatie. Hij is voor 35% indirect aandeelhouder van een bedrijf. Bureau Telecommunicatie en Post (BTP) huurt dat bedrijf in voor het nummerbeheerplan en betaalt jaarlijks $90.000. De parlementariër zou het strafbare feit van artikel 2:361 van de strafwet van Sint Maarten hebben begaan. Die bepaling is vrijwel gelijkluidend aan artikel 376 van het WvSr.

 

Bestuur of toezicht

In cassatie betoogt de parlementariër dat aan hem geen bestuur of toezicht was opgedragen inzake het contract tussen BTP en het bedrijf waarin de parlementariër een belang heeft. Anders gezegd: hij heeft over het contract niets te zeggen. Als de parlementariër gelijk heeft, dan handelt hij niet strafbaar.

Het volgende is aan de hand. Het bedrijf voert een deel van een overheidstaak uit van BTP. BTP is verantwoording schuldig aan de minister. De minister wordt gecontroleerd door de parlementariër. De parlementariër heeft belang bij het bedrijf. Zo is de cirkel rond.

De parlementariër voert onder meer aan dat zijn algemene controlerende en toezichthoudende taak ten opzichte van de minister onvoldoende is om te zeggen dat hem in dit geval bestuur of toezicht was opgedragen. 

De Hoge Raad gaat daarin niet mee. Hij overweegt als volgt: "Tegen de achtergrond van wat onder 3.5 is vooropgesteld, getuigt het op dit alles gebaseerde oordeel van het hof dat aan de verdachte als Statenlid en dus als ambtenaar in de zin van artikel 2:361 SrSM het ‘toezicht was opgedragen’ over de door BTP gesloten overeenkomsten waaronder het contract van 16 maart 2012 tussen BTP en [B] , alsmede over de financiële consequenties voor het Land daarvan, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd."

 

Deelneming

Verder wordt betoogd dat de parlementariër niet heeft deelgenomen aan aan de overeenkomst tussen BTP en het bedrijf. De parlementariër heeft slechts een indirect financieel belang en dat zou niet volstaan.

Ook dit betoog volgt de Hoge Raad niet. In dat verband is onder meer relevant dat de verdachte dividend heeft uitgekeerd gekregen naar aanleiding van de overeenkomst tussen BTP en het bedrijf.

 

Nacht aan het Wad
 Update van 18 oktober 2025

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft een interessante uitspraak gedaan over de verlening van een omgevingsvergunning in de Friese Gemeente Waadhoeke.

 

Wat is er gebeurd en wat is het probleem?

Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) verleent een omgevingsvergunning voor het project Nacht aan het Wad. In verband met het project is het de bedoeling dat vijf trekkershutten en een sterrenobservatorium worden gebouwd, dat een bruggetje en een nachtbelevingstuin worden aangelegd en dat een parkeerterrein kan worden gebruikt.

De vergunning wordt verleend aan Stichting Keunstwurk. De burgemeester is voorzitter van die stichting. Dat betekent dus dat het bestuursorgaan waar zij deel van uitmaakt een vergunning heeft verleend aan een organisatie waarvan hij aan het hoofd staat. Dat is volgens appellanten in strijd met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Uit het tweede lid van die bepaling volgt dat het bestuursorgaan ertegen moet waken dat leden van bestuursorganen die een persoonlijk belang hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Voldoet het college niet aan die bepaling, dan is een besluit onrechtmatig.

 

Heeft de burgemeester een persoonlijk belang?

Dat de burgemeester een persoonlijk belang heeft als bedoeld in die bepaling, is geen vanzelfsprekendheid. De vergunning wordt verleend aan een organisatie waarbij zij betrokken is, niet aan haarzelf. Opmerkelijk genoeg gaat de Afdeling niet (uitdrukkelijk) op deze kwestie in. Zij lijkt aan te nemen dat de burgemeester een persoonlijk belang heeft. Helemaal verrassend is dat niet. Uit eerdere uitspraken volgt dat zogenoemde functionele belangen ook persoonlijke belangen kunnen inhouden.

 

Heeft de burgemeester de besluitvorming beïnvloed?

Het belangrijkste deel van de uitspraak gaat over de kwestie over de burgemeester de besluitvorming heeft beïnvloed. De volgende punten zijn relevant:

  • De burgemeester zegt op een afstandje betrokken te zijn bij de stichting en niet altijd te weten met wat voor projecten de stichting bezig is. De burgemeester geeft aan niet deel te hebben genomen aan 'alle beraadslaging en besluitvorming' over de omgevingsvergunning vanaf het moment dat zij wist dat Stichting Keunstwerk de aanvrager van de omgevingsvergunning was. De Afdeling overweegt dat die verklaring niet wordt gestaafd met enig ander bewijs. Kennelijk is het woord van de burgemeester niet voldoende.
  • Daarbij speelt mee dat de burgemeester het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning heeft ondertekend. De Afdeling overweegt dat zij er op dat moment van op de hoogte was of had kunnen zijn dat Stichting Keunstwerk de aanvrager was. Kennelijk is er dus wel enige betrokkenheid in het besluitvormingsproces geweest.
  • De Afdeling vervolgt met de overweging dat verleningen van omgevingsvergunningen in de gemeente Waadhoeke ambtelijk worden voorbereid en vervolgens worden ondertekend door de gemeentesecretaris en de burgemeester. Ze worden niet in een aparte collegevergadering behandeld. Omdat andere collegeleden niet expliciet bij de besluitvorming worden betrokken, is het volgens de Afdeling aannemelijk dat de burgemeester invloed heeft gehad op de besluitvorming over deze omgevingsvergunning.

 

Eindoordeel van de Afdeling

De burgemeester heeft de besluitvorming van het college beïnvloed en dus heeft het college gehandeld in strijd met artikel 2:4 van de Awb. 

De toekomst van de Zeeman Vastgoed-rechtspraak hangt af van Gulpen-Wittem
Update van 8 oktober 2025

Het zijn spannende tijden in het integriteitsrecht. Gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) haar rechtspraak over onthouding van stemming en beraadslaging herijken? 

 

De Zeeman Vastgoed-uitspraak (2013) is leidend, maar hoe lang nog?

De Afdeling heeft in de Zeeman Vastgoed-uitspraak uit 2013 een toetsingskader geformuleerd dat zij naloopt wanneer een raadslid met een persoonlijk belang aan de besluitvorming deelneemt. Dat toetsingskader is ook in recente rechtspraak nog leidend gebleken. Zie daarover de post hieronder over de Windpark Houten-uitspraak van eerder dit jaar. Kenmerkend voor dat toetsingskader is dat de bestuursrechter niet snel ingrijpt. Anders gezegd: een besluit is niet snel onrechtmatig als een raadslid met een persoonlijk belang aan de besluitvorming heeft deelgenomen.

De vraag is of de Afdeling aan dit toetsingskader blijft vasthouden. Op 1 januari 2023 is de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur in werking getreden. Destijds is artikel 28 van de Gemeentewet gewijzigd en die wijziging zou aanleiding kunnen vormen voor herijking van de rechtspraak. 

Vermoedelijk komt het antwoord op die vraag uit Gulpen-Wittem.

 

De Gulpen-Wittem-zaak

De gemeenteraad van Gulpen-Wittem heeft een bestemmingsplan vastgesteld dat het mogelijk maakt om zes levensloopbestendige woningen te realiseren. Het bestemmingsplan is vastgesteld met de kleinst mogelijke meerderheid.

Een van de raadsleden is de zoon van de initiatiefneemster van het plan. Drie van de zes woningen blijven in de familie. Dat betekent dat het raadslid (beweerdelijk) een relationeel persoonlijk belang heeft bij de zaak en ook nog eens een beslissende invloed op de besluitvorming heeft gehad.

 

De Afdeling schorst het besluit

Een belanghebbende heeft de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om zo te voorkomen dat er op korte termijn wordt gebouwd. De Afdeling wijst dat verzoek toe. Daarbij overweegt zij onder meer:

1. Het gaat hier om een ingewikkelde juridische kwestie. Die moet in de bodemprocedure worden opgelost.

2. In de bodemprocedure moet worden bekeken wat de wetswijziging van 1 januari 2023 betekent voor het toetsingskader van de Afdeling - en dus de uitkomst in deze zaak.

3. Tot die tijd moet de initiatiefneemster nog even wachten met bouwen.

 

De bodemzaak gaat principiële rechtspraak opleveren

Het is nu uitkijken naar het oordeel in de bodemprocedure. Die gaat, zo voorspelt deze uitspraak in voorlopige voorziening al, tot een principiële en richtinggevende uitspraak van de Afdeling leiden. 

 

Windpark in Houten
Update van 5 maart 2025

De uitspraak is hier te vinden en gaat over deelname van een raadslid met een (beweerdelijk) persoonlijk belang aan de besluitvorming van de raad.

 

Wat is er gebeurd en wat is het probleem?

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten verleent een omgevingsvergunning voor een windpark met vier windturbines. De raad geeft een verklaring van geen bedenkingen af. 

Appellanten voeren aan dat de raad heeft besloten in strijd met artikel 2:4 van de Awb en artikel 28 van de Gemeentewet. Uit deze bepalingen volgt, kort gezegd, dat de besluitvorming onrechtmatig kan zijn als een raadslid met een persoonlijk belang deelneemt aan de besluitvorming. Een appellant geeft aan dat een raadslid zijn lidmaatschap heeft beëindigd vanwege zijn wens om financieel te kunnen participeren in het project. Een andere appellant betoogt dat een raadslid of meerdere raadsleden werkzaam is of zijn in de windindustrie en gedurende het gehele proces een positieve grondhouding hebben ingenomen over het voorgenomen windpark. Daarnaast stelt hij dat zijn zorgen over de aantasting van zijn leefomgeving onvoldoende serieus zijn genomen.

 

De Afdeling houdt vast aan de Zeeman Vastgoed-rechtspraak

De Afdeling bestuursrechtspraak herhaalt haar inmiddels bekende overwegingen uit de Zeeman Vastgoed-uitspraak uit 2013. Ze benadrukt het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan de stemming, zodat de term 'persoonlijk belang' strikt moet worden geïnterpreteerd. 

Artikel 2:4 van de Awb en artikel 28 van de Gemeentewet zijn daarom pas geschonden wanneer  (i) een raadslid een persoonlijk belang heeft, (ii) zich bijkomende omstandigheden voordoen die maken dat de behartiging van een persoonlijk belang van een raadslid in het bijzonder aan de orde is in het besluitvormingsproces en (iii) het raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed. Die derde omstandigheid noemt de Afdeling overigens niet uitdrukkelijk in deze uitspraak.

 

Ook in deze uitspraak is er geen schending

De Afdeling neemt niet snel schending aan. Sinds de Zeeman Vastgoed-uitspraak is dat zelfs nog geen enkele maal voorgekomen. Ook in deze uitspraak niet. Er zijn geen bijkomende omstandigheden aan de orde volgens de Afdeling. Puntsgewijs overweegt zij als volgt:

  • De enkele omstandigheid dat een raadslid zou hebben verklaard te betreuren dat hij niet financieel in het windpark zou kunnen participeren, omdat hij bij de besluitvorming daarover is betrokken, vormt geen bijkomende omstandigheid. Overigens blijkt dit punt niet duidelijk uit het betoog van appellanten.
  • Het college heeft toegelicht dat het altijd al de bedoeling was dat het raadslid slechts kort in de raad zou zitten. Het vertrek had dan ook niets te maken met de wens om financieel te participeren in het project.
  • Ook de (beweerdelijke) positieve grondhouding en het feit dat de zorgen van appellant (beweerdelijk) onvoldoende serieus zijn genomen, vormen geen bijkomende omstandigheden. 

 

Wat betekent deze uitspraak voor de toekomst?

Deze uitspraak brengt op zichzelf niet veel nieuws. Duidelijk is - nog altijd - dat de Afdeling niet zomaar tot het oordeel komt dat artikel 2:4 van de Awb en artikel 28 van de Gemeentewet zijn geschonden. Opmerkelijk is wel dat de Afdeling nog altijd vasthoudt aan haar Zeeman Vastgoed-rechtspraak. 

De vraag is of de Afdeling dat ook zal doen wanneer zij zich moet buigen over een zaak die valt onder het regime van na 1 januari 2023. Op dat moment is het nieuwe tweede lid van artikel 28 van de Gemeentewet in werking getreden. Daaruit volgt dat artikel 2:4 van de Awb niet van toepassing is op de stemming en beraadslaging van de raad. Die wetswijziging zou aanleiding kunnen vormen voor de Afdeling om de Zeeman Vastgoed-rechtspraak te verlaten. Als ze dat van plan is, dan had ze ook deze uitspraak al aan kunnen grijpen om daarop vooruit te lopen.

Texels nieuwbouwproject
Update van 15 januari 2025

De rechtbank Noord-Holland heeft eind 2024 een interessante uitspraak gedaan over een nieuwbouwproject op Waddeneiland Texel. Klik hier voor de uitspraak.

Wat is er gebeurd en wat is het probleem?

Op 9 maart 2022 verleent het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) van Texel een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van 27 appartementen aan een vof. Een aantal belanghebbenden gaat in bezwaar. 

Een belangrijk element in de procedure bij de rechtbank is dat tussen de verlening van de omgevingsvergunning (9 maart 2022) en de beslissing op bezwaar (21 maart 2023) een van de vennoten van de vof wethouder is geworden. Dat is belangrijk, omdat het college op het bezwaar over de omgevingsvergunning heeft beslist. Dat betekent dat de wethouder heeft kunnen meebeslissen over 'zijn' nieuwbouwproject.

Wat overweegt de rechtbank?

De rechtbank overweegt dat artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geschonden. Het college moet zijn taak vervullen zonder vooringenomenheid. Het moet er ook tegen waken dat een persoon met een persoonlijk belang de besluitvorming beïnvloedt. 

Volgens de rechtbank is er een evident risico op vermenging van persoonlijke en publieke belangen in deze zaak. Wat is volgens de rechtbank relevant?

  • De rechtbank constateert dat de wethouder-vennoot aanwezig was bij de vergadering van 21 maart 2023 waarin het college over het bezwaar besloot. 
  • Uit een van de stukken blijkt dat de wethouder toelichting heeft gegeven op zijn betrokkenheid bij het project en verder niet bij de besluitvorming aanwezig is geweest. Volgens de rechtbank valt echter niet uit te sluiten dat een bepaalde invloed is uitgegaan van zijn aanwezigheid en toelichting in de vergadering. 
  • Daarbij merkt de rechtbank op dat die betrokkenheid al bekend was. Daarom is niet duidelijk waarom hij aanwezig diende te zijn bij de vergadering om die toelichting te geven.

Wat betekent deze uitspraak voor de toekomst?

Het is redelijk zeldzaam dat een bestuursrechter schending van artikel 2:4 van de Awb aanneemt. Alleen al daarom is de uitspraak de moeite van het bespreken waard. Er zijn juridisch nog twee (andere) redenen waarom de uitspraak interessant is.

  1. Bij twijfel niet oversteken. Duidelijk is dat de wethouder belang heeft bij de besluitvorming. Niet geheel duidelijk is echter of hij (werkelijk) invloed heeft gehad op de besluitvorming. De bestuursrechter moet in dat geval kiezen wie hij het voordeel van de twijfel geeft: het bestuursorgaan dat zegt dat het allemaal goed is verlopen, of de burger die daaraan twijfelt. In deze zaak kiest de bestuursrechter die laatste afslag. Dat is in lijn met deze uitspraak over een vitaliteitshotel in Domburg.
  2. De verhouding tussen integriteitsbepalingen. Uit artikel 28 en 58 van de Gemeentewet volgt dat een wethouder niet mag deelnemen aan de stemming en de beraadslaging van het college over een aangelegenheid die hem persoonlijk aangaat. Sinds 1 januari 2023 volgt uit die bepalingen ook dat artikel 2:4 van de Awb niet van toepassing is in het geval dat over een aangelegenheid is beraadslaagd en/of gestemd. De bedoeling is dat de bestuursrechter in zulke gevallen alleen toetst aan artikel 28 en 58 van de Gemeentewet. Waarom de rechtbank in deze zaak dan toch nagaat of artikel 2:4 van de Awb is geschonden, is niet helemaal duidelijk. Een mogelijke verklaring is dat de rechtbank niet zeker weet of de besluitvorming is beïnvloed tijdens de beraadslaging of stemming.

 

 

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.